moosers

Praatjes van RiRo

526_!cid_204C162D-F87F-4457-8330-D64FB809C30A@lan.png

Juli 2007 We krijgen een sleutel en gaan naar onze kamers. Daar wachten we op wat er gaat gebeuren. Omdat het een eenpersoonskamer is, en omdat het plafond van mijn kamer een spiegel is, en ik dus alleen mezelf kan zien, voel ik me een beetje eenzaam. Jij bent een van de acteurs van de voorstelling en ik hoor hoe je een papier onder mijn deur schuift en ook onder die van vier andere kamers. Het blijkt een vragenformulier te zijn. Je collega’s geven de gasten in de andere kamers er ook een, maar dan met andere vragen. Als ik klaar ben met invullen, schuif ik het papier weer onder de deur door, ga op mijn bed liggen en wacht op wat er verder zal gaan gebeuren.

Heel langzaam gaat het plafond omhoog, van alle kamers, van het hele hotel. Als ik naar boven kijk, in de spiegel, kan ik nu ook de andere bezoekers zien liggen op hun bed. Jou zie ik nu ook, in de kamer naast de mijne. Je zit op de rand van je bed en je bent bezig uit die meer dan dertig formulieren met antwoorden een selectie te maken. Ik ken je niet, ik weet niet wat je voelt, ik weet niet wat je denkt. Ik weet natuurlijk ook niet welke criteria je bij je keuze hanteert. Als je klaar bent met het bestuderen van al die antwoorden, pak je een klein microfoontje en zeg je: ‘Je hebt je lichtblauwe sokken aan en je witte broek, want het is zomer.’

Veel zakken
Hé, dat gaat over mij! Wat leuk! Die lichtblauwe sokken, tja. Het leek me wel een aardige combinatie met mijn blauwe overhemd. Die broek is niet echt wit hoor, en ik draag hem niet alleen omdat het zomer is, maar vooral omdat er veel zakken op zitten. Daar zit alles in wat ik nodig zou kunnen hebben vandaag. Liggen op een bed blijkt trouwens helemaal niet zo prettig met die volle broekzakken, daarom leeg ik ze en leg ik alles op de grond. Maar dat weet je allemaal al. Want als je straks bij me komt liggen, op de grond naast mijn bed, zul je zachtjes zeggen: ‘Ik schuif dit even opzij.’

Is het overigens toeval dat je je beschrijving begint met mijn sokken en mijn broek? Of vind je dat die broek niet kan? Of die combinatie niet? De meeste details die je over de hotelgast vertelt, heb je natuurlijk uit antwoorden van andere bezoekers aan de voorstelling. Maar soms herken ik ineens weer iets wat ik zelf heb opgeschreven. Zoals dat ik een oude fruitboom zie als ik uit mijn raam kijk. Leuk is dat!

Veel empathie
Om in je beschrijving van de hotelgast een gevoel van warmte te leggen, herhaal je regelmatig dat je niet weet wat ik denk, niet weet wat ik voel. Op dezelfde empathische toon zeg je: ‘Ik weet niet of je plast onder de douche.’ Dat vind ik een beetje een rare opmerking van je. Maar misschien ken jij mensen die plassen als ze onder de douche staan. Of misschien doe je het zelf wel, en vind je het dus helemaal niet raar.

Als je naast me ligt en als je zegt dat je mijn spullen even weg schuift, draai ik me op mijn zij om je aan te kunnen kijken, want dat doe ik nou eenmaal als iemand tegen me praat. Maar je zegt, weer zachtjes: ‘Je moet omhoog kijken.’ Je zegt dat overigens heel vriendelijk, en je wijst naar de spiegels boven me. Als je onder mijn bed doorgerold bent, en ik in de spiegels zie dat je aan de andere kant naast me ligt, moet ik me bedwingen om me niet weer om te draaien om naar je te kijken. Ik weet niet wat je zou hebben gezegd als ik dat wel had gedaan.

Niet lang daarna kom je me halen. ‘Kom maar even mee’, zeg je, weer heel vriendelijk, en je geeft me het glas met suiker dat je eerder in mijn kamer hebt gezet. Dan lopen we naar jouw kamer. Daar is al iemand, een andere acteur, een man. Hij heeft iets aan een vork geprikt, dat doopt hij in het glas dat ik in mijn hand heb, en houdt het dan bij mijn mond. Wat hij in mijn mond wil stoppen, weet ik al. Van de recensenten. Dat vind ik heel jammer.

Veel kritiek
Ik baal er echt van dat de recensenten het me onmogelijk hebben gemaakt de voorstelling te ervaren zoals hij was bedoeld. Dat ik al wist dat ik een hotelgast zou zijn en dat spiegels een belangrijke rol spelen, oké, dat vind ik niet zo erg. Maar waarom heeft Simon bijvoorbeeld niet gewoon zijn mond gehouden over die poffertjes? Simon was niet de enige, dat weet je, je hebt natuurlijk ook gehoord dat Wilfred vertelde dat je zijn naam noemde en dat Vincent toen begon over brieven die je onder zijn deur doorschoof. Heb je bij Vincent echt brieven onder de deur door geschoven? Nee toch? Waarschijnlijk heeft hij zich wat onhandig uitgedrukt en bedoelde hij gewoon de vragenformulieren.

Recensenten zouden bij ervaringstheater toch geen korte samenvatting van de inhoud mogen geven zoals bij andere voorstellingen? Dat zouden ze zich toch moeten realiseren? Dat vind jij toch ook? Maar ja, wat kun je dan nog wel zeggen?
‘Dat het een heel bijzondere ervaring was’, stel je voor, ‘alleen dat.’
Dat is wel erg weinig, vind ik. Nee, dan denk ik dat ik maar wacht tot de voorstelling niet meer wordt gespeeld. Dan zeg ik er dan wel wat over. En ook over die recensenten.

U bevindt zich hier van Dries Verhoeven ging in première op 17 mei 2007
Concept en regie: Dries Verhoeven
Spel: Jorieke Abbing, Marcus Azzini, Erik J. Dekker, Laura Johannes, Daniëlle van de Ven, Dries Verhoeven, Erik Whien en Hannah van Wieringen

Lees meer

525_!cid_204C162D-F87F-4457-8330-D64FB809C30A@lan.png

April 2007 Eric de Vroedt bestelt een whisky, voor mij, en een wodka lime, voor zichzelf. ‘Wodka lime hebben we niet’, zegt de barkeeper. ‘Zeker weer zo’n wijsneus uit het westen’, zie ik hem denken. Zware shag, halfzware shag, sigaretten met en zonder filter, dat hebben ze allemaal wel in De Souffleur. Maar geen wodka lime. Met de globalisering valt het dus reuze mee in het café tegenover de schouwburg in Groningen. De provincie tenslotte.

Een paar dagen hiervoor zat ik aan de bar van café ‘t Smalle in Amsterdam. Met een paar bevriende intellectuelen was ik in een hoogst interessant debat verwikkeld. Van internationaal niveau mag ik wel zeggen. Iemand die buiten op het terras wilde gaan zitten, hoewel het daar eigenlijk te koud voor was, vroeg om een glas zoete witte wijn. Zoete witte wijn? Ik keek even op om te zien wat voor provinciaal er nou weer in het verkeerde café was beland. ‘Zoete witte wijn hebben we niet’, zei de barkeepster en negeerde de klant verder volledig.

Spel rond globalisering
De Vroedt’s voorstelling Mighty Society 4 gaat niet alleen over provincialisering maar vooral over globalisering. Ik kom dus te weten dat de westerse zakenman Raymond niet alleen rijk is geworden door het steeds verder naar het oosten verplaatsen van arbeid, maar ook door daar vervuilende industrieën op te kopen om zo Europese milieusubsidies op te strijken. Zijn vriendin Henriëtte is Europarlementariër, dat komt dus goed uit. Als de zoon van zijn vriendin hem een videocamera voor zijn neus houdt en hem vraagt wat hij daarbij voelt, bij het opkopen van vuilverwerkinginstallaties, draait Raymond de camera om en vraagt: ‘En jij? Wat verkoop jij wijsneus? Bevlogenheid?’

Met twee niet echt welkome gasten, het echtpaar Dick en Sharon, begint vervolgens een geraffineerd spel rond het ooit door Rijkman Groenink geïntroduceerde begrippenpaar misbare en onmisbare werknemers. Aan het eind van de voorstelling is er ook nog een spel in een spel. Daarbij bepaalt de misbare werknemer Dick inmiddels de regels. ‘Jij bent mij en ik ben jou’, zegt hij tegen Raymond en hij knevelt hem. ‘Vraag nu aan me wat ik zou doen. Naar China met allerlei winstkansen en hier veel ontslagen? Of mijn mensen niet ontslaan en mijn opportunities laten lopen?’ Hoe het afloopt met dat spel in het spel kan ik helaas niet meer vertellen, want het nagesprek gaat beginnen.

Debat met politici
Oei, ik ben iets te laat. Discussieleider Sarah Meuleman is al begonnen. Ze stelt vragen aan PvdA-kamerlid Harm Evert Waalkens en aan Elco van der Wilt, de locale D66-fractieleider. Gelukkig ben ik wel op tijd om te zien hoe vanuit het publiek G. de aanval inzet. Dat verrast me. Dat het nou juist G. is. Dat ze veel weet van theater, wist ik. Maar zo’n gloedvol betoog over de benepen opstelling van de PvdA’er in de globaliseringdiscussie?

Twee geschiedenisstudenten gooien zich ook vol in de strijd. Ik ben onder de indruk van het hoge niveau van het debat. En dat in de provincie. Waalkens heeft het zelfs even moeilijk. Daar redt hij zich overigens slim uit door het gesprek om te buigen naar de landbouw in Nederland en in Europa, een onderwerp waarbij hij zich veilig voelt. Van der Wilt, ook slim, ook politicus tenslotte, kiest ervoor zich bij de oppositie uit het publiek aan te sluiten in een poging daarmee sympathie, en op den duur stemmen, te winnen.

Gesprek over theater
Als het officiële gedeelte is afgelopen, gaan G., de geschiedenisstudenten en de twee politici aan de bar verder met hun gesprek over globalisering. Ik wil liever met iemand over theater praten. Met Eric de Vroedt bijvoorbeeld, er zijn zoveel voorstellingen waarover ik als provinciaal zijn mening wel eens wil horen. Ik blijk niet de enige die wat van hem wil. Om te voorkomen dat ik in de rij moet gaan staan tot ik aan de beurt ben, laat ik daarom quasi achteloos vallen dat ik er misschien wel iets over op het world wide web ga zetten. Hopelijk helpt dat. Ondertussen wordt het alsmaar leger in de foyer van Het Kruithuis. Je mag hier niet roken, en dat is voor veel mensen uit de theaterwereld nou eenmaal een groot probleem. Joeri Vos, de zoon in de voorstelling, zijn sigaret al in de hand, is een van de laatsten die komt zeggen dat hij alvast naar De Souffleur gaat.

Als De Vroedt en ik uiteindelijk ook aanstalten maken om te gaan, is Het Kruithuis zo goed als verlaten. Alleen de twee geschiedenisstudenten die zich zo kranig hebben geweerd in het debat staan nog aan de bar. Kennelijk geen regelmatige theaterbezoekers, anders zouden ze wel weten wat hier de gewoonte is. De Vroedt vraagt: ‘Gaan jullie niet mee naar De Souffleur? Dat is een café hier schuin tegenover.’ Een van de twee studenten verzucht: ‘O, nu begrijp ik het. Ik verstond steeds: We gaan alvast naar de chauffeur.’

Mighty Society 4 ging in première op 14 maart 2007
Tekst en regie: Eric de Vroedt
Spel: Carola Arons, Bram Coopmans, Joeri Vos, Hein van der Heijden en Els Ingeborg Smits
Discussieleider: Sarah Meuleman

Lees meer

RiRo op 28/09/2007 - 23:03  

Mightysociety4 (Mightysociety)
522_!cid_204C162D-F87F-4457-8330-D64FB809C30A@lan.png

April 2007 ‘Je bent een romantica’, zegt de partijleider tegen Hugo’s mooie jonge vrouw. Met zachte verleidelijke stem antwoordt Jessica: ‘U ook meneer Höderer, u bent ook een romanticus.’ Ze zegt dat niet omdat Höderer haar het hof maakt, hoewel hij dat natuurlijk wel doet.

Ze zegt dat omdat de partijleider, die weet wat Jessica’s man Hugo van plan is, niet ingrijpt. Hij is ervan overtuigd dat hij Hugo op het laatste moment nog wel zal kunnen ompraten. Jessica met een zwoele blik: ‘U riskeert uw leven.’ De partijleider, zelfverzekerd glimlachend: ‘Dat moet je wel eens doen hè.’

Hugo, redacteur van de partijkrant, heeft als verzetsnaam Raskolnikov. De leider van de gewapende tak van de partij fronst zijn wenkbrauwen. ‘Dat is uit een boek’, licht Hugo toe. ‘Hoe dan ook’, zegt de niet belezen maar wel gespierde Louis, ‘ik vind niet dat je geschikt bent voor gewapende acties. En zeg nou zelf, het is toch beter een goede journalist te zijn dan een slechte moordenaar.’

Uiteindelijk geeft Louis toch toe aan de wens van de student. Hij draagt hem op om secretaris te worden van partijleider Höderer en die dan te vermoorden. Volgens Louis de enige manier om te voorkomen dat Höderer verraad zal plegen door met andere partijen te gaan praten over een centraal comité na de oorlog. Eenmaal bij hem in dienst gaat Hugo de charmante Höderer steeds meer waarderen. Voert Hugo zijn opdracht desondanks uit omdat hij achter de politieke motieven voor de moord staat? Of is het toch een crime passionel?

Vragen en antwoorden
Na afloop van de voorstelling zitten regisseur Tarkan Köroğlu, dramaturg Oscar Kocken, en de acteurs Khaldoun Elmecky en Laura de Boer achter de tafel. Daartegenover, in het kleine zaaltje van Het Compagnietheater, zitten wij. In niet al te grote getale. We mogen opmerkingen maken en vragen stellen.

Zonder dat hij concessies heeft gedaan aan tekst of aankleding, is Köroğlu er toch aardig in geslaagd een intrigerende en actuele voorstelling te maken, bedenk ik me. Maar dat zie ik verkeerd. ‘Het is gewoon een erg ouderwets stuk van vlak na de tweede wereldoorlog’, fluistert Simon me toe, ‘en het is ze niet gelukt om er een nieuwe relevantie aan te geven. Trouwens Laura de Boer is toch veel te meisjesachtig om van de vrouw van Hugo een femme fatale te maken, vind je ook niet?’ Vind ik eigenlijk ook wel. ‘Is Laura niet een beetje te meisjesachtig voor een femme fatale? vraag ik dus.

Eerst een acteur en een actrice
Köroğlu is blijkbaar een bedachtzame man, hij denkt even na voor hij een antwoord geeft.
‘Wie heeft het hier over femme fatale?’, vraagt partijleider Khaldoun Elmecky op hoge toon, ‘wij niet!’
‘Nou eh Simon eigenlijk dus, maar ik vind het zelf ook wel een beetje. Met die film noir sfeer, dat licht van dat ene peertje enzo.’
‘En wie is die Simon dan helemaal?’
Tarkan Köroğlu maant Elmecky tot kalmte en wil aan zijn antwoord gaan beginnen, maar Laura de Boer, die al een poosje zit te popelen op het puntje van haar stoel, is hem voor: ‘Jessica is negentien! Wat wil je nou met die vraag? Natuurlijk speel ik dat personage dan meisjesachtig!’

Omdat Kocken, de dramaturg, merkt dat de irritatie toeneemt, probeert hij het gesprek een andere wending te geven Hij vraagt aan Körioğlu om zichzelf als theatermaker te omschrijven. Körioğlu denkt niet eens zo heel lang na deze keer, toch is hij ook nu weer te laat. ‘Tarkan is zelf heel romantisch’, legt Laura de Boer uit, ‘daarom houdt hij van het romantische van de personages.’ Köroglu glimlacht berustend.

Dan nog een acteur
‘Mag ik even doorgaan op dat romantische, is die romantiek van de jongeman uit bourgeoiskringen die zich wil opofferen voor de arbeiders, want dat is toch wat Hugo doet, niet een beetje gedateerd in deze tijd van de generatie boeiuh?’, vraag ik, Kocken’s poging om er een harmonieuze avond van te maken negerend.

Nu is het Erik van der Horst, de Hugo uit de voorstelling, die zijn regisseur voor is en hem verhindert om te antwoorden. Van der Horst springt op van zijn plaats in de zaal en zegt, zichtbaar geëmotioneerd: ‘Hoezo? Ook mijn generatie, ook ik voel dat verlangen. Ook ik zou iets willen doen. Ik ben jaloers op mijn broer die in Afghanistan is om dat land veiliger te maken. Ja, daar ben ik jaloers op.’

De jonge acteur heeft gelijk. Dat Hugo partijleider Höderer betrapte met zijn vrouw gaf niet de doorslag. Nee, Hugo voelde, zoals andere jonge mensen voor en na hem, een onbedwingbaar verlangen om echt iets te betekenen, om echt iets aan een betere wereld bij te dragen. Dat was de ware reden. Hugo was een idealist, daarom heeft hij Höderer, de realist, gedood.

De regisseur, eindelijk
Als de anderen zich naar de bar spoeden, neemt Tarkan Köroğlu me even apart. Half verstopt achter een pilaar lukt het. Eindelijk kan hij gewoon zelf antwoord geven op de vragen. Romantisch? Nee, zo zou hij zichzelf niet willen omschrijven, melancholisch vindt hij een beter woord. ‘Dat past misschien meer in de Turkse cultuur dan in die van de westerse wereld. Maar die cultuur draag ik natuurlijk ook met me mee, dat hoort ook gewoon bij me.’ En Hugo, de idealistische bourgeoisjongen uit Sartre’s verhaal? Is dat niet een beetje gedateerd? ‘Nee’, vindt Köroğlu, ‘Hugo is iemand van vandaag, iemand van ons, misschien zelfs de bevlogen jonge man die we zelf waren, met verlangens die ook wij hadden.’

Helaas, Kocken heeft ons gespot en komt naar ons toe gesneld. Om het me allemaal nog eens écht goed uit te leggen. Daar zijn dramaturgen tenslotte voor. Köroğlu trekt zich weer bescheiden terug. Een charmante man, die Köroğlu, denk ik. Terwijl ik beleefd glimlachend naar de uitleg van de dramaturg luister. Ook dat moet je wel eens doen.

Vuile Handen van Theater EA ging in première op 26 april 2007
Tekst: Jean-Paul Sartre
Regie: Tarkan Köroğlu
Spel: Erik van der Horst, Laura de Boer, Hanneke Scholten, Khaldoun Elmecky, Vincent Rietveld en Joris Maussen

Lees meer

RiRo op 22/09/2007 - 07:54  

Vuile Handen (Theater EA)
519_!cid_204C162D-F87F-4457-8330-D64FB809C30A@lan.png

December 2006 Vijf mannen in witte pakken met een capuchon zitten aan de zijkant van het podium. Het zijn Nederlandse veteranen, getraumatiseerd door vredesmissies in Libanon, Rwanda en Joegoslavië. Op het podium, in een legertent, staan achtenzeventig doodskisten. Bovenop die kisten staat een man met een mes, Ajax.

Het lijkt wel of de vijf mannen wachten tot ze kunnen beginnen met het sporenonderzoek. Maar dat is niet zo, ze zitten er om een andere reden, ze zitten er omdat ze zich in Ajax herkennen. Ze vinden, net als regisseur Jos Thie, dat ook Ajax leed aan een posttraumatische stressstoornis.

Gruwelen waren er genoeg in de Trojaanse oorlog. En Ajax was er steeds bij. Toch draait hij niet door bij het zoveelste bloedige gevecht. Hij gaat door het lint als niet hij, maar Odysseus de wapenuitrusting van de gedode Achilles krijgt. Plotseling is Ajax zichzelf niet meer. Gelukkig is de godin Athena alert, en zet ze hem op het verkeerde been, zodat hij niet zijn medestrijders afslacht maar een kudde schapen. De volgende ochtend als hij het slachtveld overziet en zich realiseert wat hij heeft gedaan, en vooral wat hij van plan was te doen, besluit Ajax een einde aan zijn leven te maken. Acteurs van het NNT spelen dit verhaal van Sophocles, het overgrote deel van de voorstelling staan de vijf veteranen daar buiten. Ze worden geacht louter door hun aanwezigheid de link met het recente Nederlandse militaire verleden te leggen.

Flatgebouw met cijfers
Met enige regelmaat verschijnen er op het achterdoek filmbeelden die de dramatiek die voelbaar is bij het kijken naar de vijf bewegingloze zwijgende mannen in hun witte pakken versterkt. Maar ze trekken de betekenis van de voorstelling daardoor ook elke keer weg bij het verhaal over Ajax, omdat ze vooral de aandacht vestigen op de oorlogen waar de veteranen naartoe werden gestuurd. Vaak zijn die geprojecteerde beelden niet precies thuis te brengen. In een van de laatste denk ik bijvoorbeeld een flatgebouw te zien met rijen genummerde ramen. Een verwijzing naar die zes rijen van dertien blankhouten doodskisten op het podium? Waarschijnlijk wel. Maar ze roepen ook herinneringen bij me op aan steden die te lijden hebben gehad onder de oorlog in voormalig Joegoslavië. Waar is het? Mostar? Sarajevo? En waarom staan er cijfers op die ramen?

‘Je hebt het goed gezien’, antwoordt Ania Harre als ik haar na de voorstelling mijn vraag voorleg, ‘het is inderdaad een flatgebouw. Wil je echt weten waar? Zo belangrijk is dat toch niet.’
Ik wil het echt weten.
‘Die opnamen heb ik gemaakt in het centrum van Belgrado.’
Belgrado? En die cijfers. Ik wil toch ook wel weten waarom er cijfers op die ramen staan.
‘Ik heb daar ook een parkeerplaats gefilmd, een lege parkeerplaats. Wat je hebt gezien is dus een montage. Nou weet je alles.’

Ja, nou weet ik alles. Maar wat ben ik er mee opgeschoten? Was het niet beter geweest als ik er niks over had gevraagd? Was het niet beter geweest als ik er Sarajevo in had blijven zien, een stad die niet alleen symbool stond voor eindeloos lijkend menselijk lijden, maar ook een stad die desondanks de hoop op een multi-etnische samenleving niet wilde opgeven?

Gefilmde getuigenissen
Terug naar iets eerder in de voorstelling. Naar het moment dat de eerste van de vijf mannen zijn witte pak uittrekt, en op het achterdoek zijn van te voren opgenomen getuigenis wordt geprojecteerd: ‘Ik ben uitgezonden naar Rwanda. Buiten staat een haast eindeloze rij vluchtelingen op me te wachten. Met een watervaste viltstift moet ik ze een 1, 2, 3 of een 4 op hun voorhoofd zetten. Na al die jaren wordt ik nog steeds minstens een keer per week zwetend en trillend wakker. Dan moet ik mijn bed uit. Dan moet ik proberen mijn lichaam weer tot bedaren te brengen. Want die 4 op het voorhoofd betekende: ‘Nog hooguit vierentwintig uur te leven, dus geen kostbare tijd en medicijnen meer aan verspillen’

Dan trekt de volgende zijn witte pak uit en horen we zijn schrijnende verhaal. Dat gaat door totdat ze alle vijf aan de beurt zijn geweest. Zonder hun witte pakken vind ik de mannen aandoenlijk. Door de manier waarop ze kijken, door hun eenvoudige vrijetijdskleding, door hun brillen, door de buikjes die ze inmiddels hebben gekregen. Maar het werkt wel. Die gefilmde getuigenissen worden nergens sentimenteel. Ze raken me. Hard. De documentaire over de veteranen met hun posttraumatische stressstoornis wint het van de voorstelling van de acteurs over de tragische dood van Ajax.

Maar dan, helemaal aan het eind gebeurt het toch nog. Dan komt toch het moment dat de twee lijnen, die van de vijf mannen en die van de acteurs, bij elkaar komen. De vijf stappen heel langzaam maar ook heel doelbewust naar voren. Zelfs Agamemnon lukt het niet om ze tegen te houden. Ze gaan naar het lijk van Ajax. Hun Ajax. En tegen het uitdrukkelijke bevel van de Griekse opperbevelhebber in begraven ze de held waarin ze zich herkennen. Dat ontroert me. Het is hem dan uiteindelijk toch nog gelukt, die Jos Thie. Want nu wordt mijn ontroering niet veroorzaakt door de veteranen zelf, door hun aangrijpende verhalen, maar door de theatrale vorm die de regisseur heeft gekozen.

Ajax van het Noord Nederlands Toneel ging in première op 10 november 2005, tournee vanaf 12 oktober 2006
Tekst: Sophocles
Vertaling: Johan Boonen
Bewerking en regie: Jos Thie
Videomontage: Ania Harre
Spel: Jeroen de Man, Lotje van Lunteren, Veerle van Overloop (Romana Vrede), Wouter van Oord, Herman van Baar (Martijn de Rijk), Merijn de Jong (Joris Smit) en Ruurt De MaesschalckVeteranen: Wim Dijkema, Willem Dijkstra, Chris Beuker, Eertwijn de Groot en Jan Otte

Lees meer

RiRo op 15/09/2007 - 00:18  

Ajax (Noord Nederlands Toneel)
515_!cid_204C162D-F87F-4457-8330-D64FB809C30A@lan.png

Oktober 2006 Na afloop beschrijf ik J. het decor. Ik leg hem uit dat met nissen en hoeken een groot landhuis wordt gesuggereerd, waardoor de dienstmeid steeds uit een andere kamer of door een andere gang te voorschijn lijkt te komen.

Ik vertel hem dat ze gekleed is in kuis bruin, en dat ze met haar opgestoken haar misschien wel aseksueel lijkt, maar toch, met haar mimiek en met haar lichaamstaal, hunkering en passie laat zien. Want in deze voorstelling vertelt de dienstmeid Zerline, zwervend door het huis van de adellijke familie waarbij ze werkt, de geschiedenis van haar begeerte.

Haar leeftijd?
We nemen nog een pilsje. J. wil deze keer betalen en geeft me zijn portemonnee. Als ik de drankjes heb neergezet en zijn hand naar zijn glas leid, zeg ik, wat zachter zodat ze me niet kan horen, dat ze nu ook in de foyer staat, een paar meter voor ons. ‘Hoe oud is ze?’, wil hij weten. Daar moet ik een gok naar doen. Hij vraagt me niet hoe Ariane Schluter eruit ziet, of ze mooi is, wat voor kleur haar ze heeft. Alleen hoe oud ze is. Veertig, denk ik. ‘Dat dacht ik al’, zegt J.

‘Ze is niet alleen.’
‘Sorry Kester. Wie is niet alleen?’
‘Ariane Schluter. Regisseur Jos van Kan heeft er een trombonist aan toegevoegd.’
‘Zou ik niet doen Kester. Ik heb zo’n gevoel dat ik weet wat je van plan bent. Je laat nu een keer of drie het woord monoloog vallen. Aan het eind kom je dan met iets als het was veel sterker geweest als ze gewoon alleen was.’
‘Zoiets ja. Ik had in gedachten dat het toch beter is om haar alleen te laten zijn.’

Ik ben weg!
Hein, die net als J. zit mee te luisteren, ergert zich: ‘Als ik dat woord nog één keer hoor, ben ik weg. Met die trombonist erbij is het geen monoloog, maar muzikaal literair theater. Natuurlijk is het ook in dat geval onontbeerlijk dat de actrice een voorbeeldige tekstbehandeling en tekstbeheersing heeft èn het vermogen om in die tekst leven te brengen. Dat doet Ariane Schluter. Ze ondersteunt de woorden met een verfijnde mimiek en verfijnde lichaamstaal.’
‘Het is een bekende truc Kester’, zeg ik, ‘je refereert een paar keer aan het oorspronkelijke verhaal alsof het als theatermonoloog is geschreven.’

Hein staat op: ‘Dat is dan net één keer dat woord te veel, ik ben weg.’
‘Wat niet zo is’, vervolg ik, terwijl ik even mijn hand opsteek naar Hein, ‘vervolgens wil je waarschijnlijk komen aanzetten met een actrice die dit verhaal op het toneel juist wel als monoloog heeft gespeeld, die dat heel goed heeft gedaan en er misschien zelfs beroemd mee is geworden.’
‘Dat was ik wel van plan ja.’
‘Met wie?’
‘Jeanne Moreau.’
‘Toe maar, Jeanne Moreau.’
‘Ja, ik herinner me nog heel goed hoe superieur Moreau de leugenachtigheid van haar omgeving met glimlachende lichtheid tegemoet trad. Want ze mag geen slachtoffer zijn de dienstmeid Zerline, zo staat het niet in de tekst. Ze moet winnares zijn, ondanks haar tragiek. Dat mis ik vanavond bij Ariane Schluter.’

‘Nou doe je het weer Kester!’
‘Wat doe ik weer?’
‘Je stelt een hoogstpersoonlijke voorkeur voor als norm.’
‘Dat doe ik niet.’
‘Dat doe je wel. Dat staat niet in de tekst, zeg je. Je vindt dus dat de regisseur niet zijn eigen interpretatie mag hebben. Dat hij niet mag laten zien dat de dienstmeid Zerline ook lijdt aan haar onvervulde en onvervulbare hartstochten, dus daarom ook slachtoffer is. Je vindt dat de regisseur niet mag afwijken van hoe de tekst in de vijftiger jaren van de vorige eeuw werd begrepen. Dat is jouw mening. Zo’n mening mag je natuurlijk hebben. Maar dat is geen algemeen aanvaarde norm.’

Waar ga je heen?
‘Dat geldt nog sterker voor je opmerking dat het verhaal van Hermann Broch alleen als monoloog gespeeld mag worden. Ook dat is natuurlijk geen norm, ook dat is jouw mening. Wacht even, ik spoel het even terug.’
‘Wat krijgen we nou? Heb je alles opgenomen?’
‘Wacht nou even Kester, ik heb het bijna: ‘Ariane Schluter treedt met haar monoloog in het voetspoor van’ … ‘deze theatermonoloog’…’zoals de monoloog voorschrijft’…’Ja hier. Dit bedoel ik. Zoals de monoloog voorschrijft. Dat zeg jij doodleuk over een verhaal in een verhalenbundel.
Hé, Kester, waar ga je heen?’

J., de blinde Groningse toneelschrijver, die ik af en toe bij een voorstelling tegenkom, heeft alles zwijgend glimlachend aangehoord. Nu staat hij op.’Wat ik gehoord heb en wat ik me daar bij voorstel, inspireert me enorm’, zegt hij, ‘ik heb zin om nu meteen te gaan schrijven. We zien elkaar nog wel.’ Met zijn stok in zijn ene hand en zijn andere op de schouder van zijn begeleidster loopt hij naar de uitgang.
Ik blijf alleen achter, zoals het bij zo’n verhaal eigenlijk ook hoort.

De dienstmeid Zerline van Orkater ging in première op 18 oktober 2006
Tekst: Hermann Broch
Regie: Jos van Kan
Spel: Ariane Schluter
Trombone: Koen Kaptijn

Lees meer

RiRo op 08/09/2007 - 07:27  

De dienstmeid Zerline (Orkater)
513_!cid_204C162D-F87F-4457-8330-D64FB809C30A@lan.png

September 2006 ‘Hij weet alles van toneel van de laatste vier jaar’, zegt C. , en meteen maakt hij zich uit de voeten omdat hij verderop iemand ziet staan met wie hij heel dringend moet praten.

Daar sta ik dan in de hal van de schouwburg, alleen gelaten met H., de zeer ervaren scenarioschrijver waar ik huizenhoog tegen op kijk. Dat ik pas vier jaar naar toneel ga, dat heb ik C. verteld. En dat ga ik nu ook tegen H. zeggen, dat het een misverstand is.

Maar H., de ervaren scenarioschrijver, is me voor. ‘Van de laatste tien jaar’, herhaalt hij, bewonderend knikkend. Ook dat nog. Door het geroezemoes om ons heen heeft hij het ook nog verkeerd verstaan. ‘De laatste tijd volg ik het eigenlijk niet meer zo goed’, is zijn volgende zet. Dat zou ik ook doen. Als iemand aan mij zo wordt voorgesteld, zou ik ook eerst mijn verdediging op orde brengen. Gelukkig wordt ik gered door de gong. De voorstelling gaat zo beginnen.

Geert Overdam
Niemand weet natuurlijk alles van toneel, bedenk ik me terwijl ik de trap op loop naar de zaal. Per seizoen zijn er alleen al in Nederland zo’n 1500 premières. Hoeveel daarvan kunnen professionele recensenten zien? Zelfs als ze nooit met vakantie zouden gaan? Programmeurs van theaters en festivals gaan natuurlijk ook naar nogal wat voorstellingen. Geert Overdam van Theaterfestival Boulevard in Den Bosch vertelde me onlangs dat hij de 500 per jaar wel haalt. Want hij ziet er vaak wel drie per dag als hij ergens in het binnenland of het buitenland festivals bezoekt. Weet zo iemand veel van toneel? Heel veel. Maar vanavond zal ik hem niet tegenkomen. Want hij komt nooit in de grote zaal. ‘Ivo wie?’, vroeg hij me. Nee, dat is niet waar, dat is een grapje. Dat hij nooit in de grote zaal komt, is geen grapje, dat heeft hij me verteld. Tja, denk ik dan als hij weer eens de suggestie wekt dat hij zich met zijn programmering juist af wil zetten tegen wat er in de grote zaal gebeurt.

Ger Thijs
Of neem nou Ger Thijs, waarmee C. net in de hal zo dringend moest praten dat hij mij na die onmogelijke introductie gewoon liet staan met de ervaren scenarioschrijver H. Van de prachtige Proustcyclus van het Rotheater heeft Ger Thijs alleen het vierde en laatste deel gezien. Weet Thijs veel van toneel? Wat hij in ieder geval zal weten, is dat Proust 4 een nakomertje is. Niet op het werk van Proust zelf gebaseerd, maar op de herinneringen van zijn huishoudster. Hij vond het een heel slechte voorstelling. Anderen, die wel de hele cyclus hebben gezien, vonden dat niet, die waren over het algemeen positief, vooral omdat het goed paste in de serie. Zei Ger Thijs toen: ‘Jammer zeg, dat ik die eerste drie delen heb gemist’? Nee, integendeel. Omdat hij zich zo had geërgerd aan de lovende woorden erover, riep hij speciaal voor die ene voorstelling, voor Proust 4, een theaterprijs in het leven: De Nieuwe Kleren van de Keizer Award. Een grapje? Was dat maar waar.

Willem Jan Otten
Na de voorstelling praat ik toch nog maar even met de ervaren scenarioschrijver H. Over wie wel en wie niet veel van toneel weet? Nee, daarover hebben we het niet. Waarover dan wel? Over dat Ira Judkovskaja, die zou assisteren, de regie van Alexander over moest nemen na het overlijden van Willem van de Sande Bakhuyzen. Wat natuurlijk verzachtende omstandigheden zijn. Maar we hebben het vooral over de plot. Als je over een voorstelling napraat met een scenarioschrijver, gaat het nou eenmaal over de plot.

Marian vindt ook dat daar het manco ligt: ‘Het zijn nogal grote thema’s die Otten aankaart en het zijn er veel te veel. Ik denk dat hij gelijk heeft.’
‘Wie heeft er gelijk?’
‘Die vriend van je, met wie je net stond te praten.’
‘Dat is geen vriend van mij, het is een vriend van C., maar die is heel even weg.’
‘Hoe dan ook’, vervolgt Marian, ‘hij heeft wel helemaal gelijk. Het verhaal zwalkt alle kanten op. Je hebt als kijker helemaal geen focus waardoor je mee kunt gaan in de gebeurtenissen. Het lukt Otten gewoon niet om spanning te creëren. De acteurs, in hun foeilelijke kostuums, doen dan wel heel erg hun best, maar dat helpt ook al niet veel. Het blijft een passieloze voorstelling met teveel pretenties.’

Ronald Klamer
‘Marian, ik denk niet dat Ronald Klamer dat wil horen over dat passieloos enzo.’
‘Wie?’
‘Ronald Klamer, de artistiek leider van Het Toneel Speelt.’
‘O, die.’
‘Weet je wat die wil horen?’, vraagt Anneriek.
‘Ik zou het niet weten’, zeg ik.
‘Ik wil het niet weten’, zegt Marian’
De voorstelling zindert van energie!’
Anneriek wil blijkbaar graag met een citaat in de voorstellingsadvertentie in de kranten.
‘Als je dat wilt Anneriek, kun je het beter nog een keer roepen’, opper ik, ‘en dan echt heel hard.’
‘Moet dat nou?’, verzucht Marian.

Anneriek haalt diep adem. Dan schalt het luid en duidelijk boven alles en iedereen uit: ‘Zinderende Griekse tragedie over Alexander de Grote!’
Ik rek me helemaal uit. C. denkt blijkbaar dat ik dat doe omdat ik naar hem op zoek ben, want hij zwaait even naar me. Maar het is gelukt, zie ik. Aan de andere kant van de foyer staat Roland Klamer handenwrijvend te glunderen.
‘Mijn God! Als ik het al niet van plan was zou ik hierdoor gaan emigreren.’
‘Wat was dat Marian? Wat zei je?´
‘Niks. Vergeet het. Ik moet gaan.’

Alexander van Het Toneel Speelt ging in première op 26 september 2006
Tekst: Willem Jan Otten
Regie: Ira Judkovskaja
Spel: Mark Rietman, Petra Laseur, Kees Boot, An Hackselmans, Tanya Zabarylo, Justus van Dillen, Robert van der Ree, Kaspar Schellingerhout, Ferdi Stofmeel en Xander van Vledder.

Lees meer

RiRo op 01/09/2007 - 08:26   1 reactie

Alexander (Het Toneel Speelt)
494_!cid_204C162D-F87F-4457-8330-D64FB809C30A@lan.png

September 2005 De voorstelling is nog niet eens begonnen als H. haar hoofd, met de voor een film rood geverfde haren, al op de rand van de schouwburgstoel legt. Korte laarsjes, een jurkje van soepelvallende stof. Toch wil ze perse met haar voeten op het voorste gedeelte van de zitting. Dan doet zo’n jurkje natuurlijk wat zo’n jurkje hoort te doen. Soepel vallen.

Begrijp me niet verkeerd, door de manier waarop Fedja van Huêt de voorstelling opent, ben ik meteen aan het hof van Philips II. Nou vooruit. Ik geef het toe. Eén keer dwalen mijn blikken af naar de benen van H. Maar vanaf het moment dat Jacob Derwig, als de markies van Posa, zich bij Carlos voegt, ben ik in Spanje. En blijf ik in Spanje.

Enigszins tot mijn verbazing merk ik dat mijn aandacht in de loop van de voorstelling verschuift. Eerst heb ik alleen maar oog voor de twee vrienden. Voor de wanhopige Carlos, die plotseling mama moet zeggen tegen de vrouw op wie hij smoorverliefd is, en voor de charmante utopist Posa, die Carlos’ hartstochtelijke gevoelens voor de koningin probeert om te buigen naar zijn eigen passie: de vrijheidstrijd van de Nederlanden. Later gaat mijn belangstelling meer uit naar Philips ll, Carlos’ vader, die steeds meer twijfel laat zien. Zelf schrijf ik dat toe aan de uitgebalanceerde regie. Want in het begin staat Fedja van Huêt het meest vooruitgeschoven op het podium en sluit Jacob Derwig daar steeds bij aan, zoals twee spitsen dat doen in een voetbalteam. Later laten die twee zich regelmatig zakken zodat er ruimte komt voor de opkomende Hans Croiset.

De tragiek
‘Ik denk dat er voor die positiewisseling andere redenen zijn’, merkt Wilfred enigszins smalend op. ‘Het lijkt mij meer dat Schiller, in de lange jaren dat hij aan Don Carlos schaafde, zijn belangstelling voor de zoon gaandeweg verloor, en steeds meer oog kreeg voor de tragiek van de vader. Wel zielig voor die jongen trouwens. Zijn vader heeft hem eerst zijn verloofde afgenomen en steelt nu ook nog de show in zijn toneelstuk.’

Op het podium veegt de hertog van Alva ondertussen steeds met een witte zakdoek het zweet van zijn voorhoofd. Wil hij daarmee zeggen dat het hem in Madrid door al die intriges aan het hof te heet onder de voeten wordt? Dat hij liever vandaag dan morgen naar Brussel vertrekt om de opstandelingen in de Lage Landen eens goed aan te pakken? Jappe Claes speelt Alva ingetogen, alsof hij wil laten zien dat hij een generaal is die zo ontzettend machtig is dat hij zich echt niet op de voorgrond hoeft te dringen.

De zelfverzekerdheid
‘Nou, ik doe dat vooral omdat iedereen in de zaal zich nou eenmaal al een eigen beeld van Alva heeft gevormd’, legt Claes na de voorstelling uit, ‘het heeft geen enkele zin om met mijn spel tegen die beeldvorming in te gaan.’
Nu ik hem toch spreek. Al tijdens de voorstelling vroeg ik me af waar de markies van Posa de zelfverzekerdheid en de moed vandaan haalt om al bij zijn allereerste ontmoeting met koning Philips II zijn gloedvolle pleidooi te houden voor het nieuwe geloof en de vrijheidsdrang van de Nederlanden.

Jappe Claes doet zijn bril af, haalt een keurig gevouwen witte zakdoek te voorschijn, en wist daarmee het zweet van zijn voorhoofd en uit zijn nek. Ik zie dat wel, maar stel hem toch gewoon mijn vraag: ‘De markies zet zonder te kunnen weten hoe de koning daarop zal reageren zijn uiterst moderne en revolutionaire ideeën uiteen. Hij neemt een enorm risico. Waarom laat Jacob Derwig eigenlijk niet ook wat twijfel zien? Of angst?’
‘Daar is over gediscussieerd’, antwoordt Jappe Claes afgemeten.

De warmte
Moet ik het met dat antwoord doen? Blijkbaar. Ik voel me als een leerling die tot hilariteit van de klas een heel domme vraag heeft gesteld. Weer gaat die witte zakdoek naar zijn voorhoofd. Nu kan ik er niet meer omheen.
‘Ik dacht echt dat het bij de rol hoorde’, zeg ik met mijn meest ontwapenende glimlach.
‘Nee, dat ben ik’, antwoordt Claes koeltjes.
Voor zover je dat kunt zeggen over iemand die zo overduidelijk last heeft van de warmte.

‘Als ik het goed begrijp’, ik geeft het nog niet op, ‘moet ik dus twee keer een tijdsprong maken van zo’n tweehonderd jaar. Eerst van het hof van Philips II, eind zestiende eeuw, toen angst creëren en dwangmaatregelen opleggen nog de geëigende machtsmiddelen waren, naar het eind van achttiende eeuw. En dan van die tijd, de tijd van Schiller, met de nieuwe humanistische ideeën over individuele vrijheid, nog een keer tweehonderd jaar, naar het heden.’
Zwijgend kijkt hij me aan.
‘Want ik moet Posa zien als een hedendaagse fundamentalist?’, probeer ik tenslotte wanhopig. Nu krijg ik het warm, ik wou dat ik ook zo’n mooie witte zakdoek had.

Het tentamen
Jappe Claes neemt een paar flinke slokken van het glas witte wijn dat ik hem heb aangeboden. Dat doet hem kennelijk goed, want zonder verdere aansporing zegt hij nu: ‘De keuze is om Posa neer te zetten als een fundamentalist.’

Is dat moedeloosheid, die blik waarmee hij me van over zijn bril aankijkt? Ik wordt steeds onzekerder. Ik ben weer de student die tentamen doet. Die er niks van weet, en die op de valreep toch maar een antwoord geeft. Zonder ook maar een flauw idee te hebben. En die dan in gespannen afwachting naar de docent kijkt. Zijn hoon vrezend.

Daar komt dat witte zakdoekje weer: ‘Ik ga even naar buiten, even een luchtje scheppen.’ ‘Dan loop ik gelijk met je mee’, zegt Wilfred, ‘ik kan ook wel wat verkoeling gebruiken.’ Als ze samen op weg zijn naar buiten, verbeeld ik me dat ik Wilfred tegen Jappe Claes hoor zeggen: ‘Wel zielig voor die man trouwens. Je hebt hem eerst zijn zelfvertrouwen afgenomen en nou steel je ook nog de show in zijn theaterverhaal.’ Als ik zo discreet mogelijk mijn overhemd, dat aan mijn bezwete rug is gaan kleven, wat probeer los te trekken, wendt H. zich ostentatief van me af. Ook dat nog.

Don Carlos van Toneelgroep Amsterdam en De Theatercompagnie ging in première op 25 september 2005
Tekst: Friedrich Schiller
Vertaling: Tom Klein
Regie: Theu Boermans
Spel: Hans Croiset, Hadewych Minis, Fedja van Huêt, Thomas Cammaert, Myranda Jongeling, Gunilla Verbeke, Chris Nietvelt, Jacob Derwig, Jappe Claes, Mike Reus, Harry van Rijthoven, Frida Pittoors en Joris Maussen

Lees meer

491_!cid_204C162D-F87F-4457-8330-D64FB809C30A@lan.png

November 2005 Het zaallicht gaat uit. Dirk Roofthooft zit op een stoel. We luisteren naar zijn ademhaling. We horen hoe hij even met zijn hand over zijn gezicht wrijft. We zien hoe hij met een vijltje het eelt onder zijn voeten verwijdert. Ook dat raspende geluid bereikt zonder problemen de achterste rij.

De zendmicrofoon en de geavanceerde geluidstechniek zijn innovaties met grote consequenties.

Roofthooft kan zacht en natuurlijk spreken, zelfs als hij met zijn rug naar de zaal staat. Zijn stem en het geluid van de hand die over zijn gezicht wrijft, wordt door de technicus op de juiste sterkte naar de speakers gestuurd. De beelden en het geluid komen met elkaar overheen. Dat lijkt voor de hand te liggen, maar dat is het niet.

Een voorbeeld. De voorstelling Mimi Cry van Opera Noir zie ik in een openluchttheater in een licht glooiend bos. Jack Vecht en Mariecke van der Linden zijn een flink eind omhoog gelopen dat bos in. Zover dat we de twee nauwelijks meer kunnen zien. Plotseling begint Vecht te praten. Daar schrik ik van, omdat het klinkt of hij vlak naast me staat. Als door een zendmicrofoon niet meer de stem van de acteur de bron van het geluid is, maar de speaker naast mijn hoofd, dan is het de taak van de technicus om er voor zorgen dat de woorden toch akoestisch integer bij mijn oren komen. Zodat wat ver weg is, ook ver weg klinkt.

Verraden
Bezonken Rood is het verhaal van een man die terugblikt. Een man die vertelt over zijn moeder, door wie hij zich verraden voelt als ze hem, tien jaar oud, aflevert bij een kostschool. Zo verraden dat hij zich afvraagt waarom ze haar in het Jappenkamp niet gewoon hebben doodgeslagen. Want wat hij in dat kamp meemaakte, wat hij daar zag, heeft hem voor de rest van zijn leven getekend. Zelfs nu tijdens het terugblikken, bijna veertig jaar later en een klein jaar na de dood van zijn moeder, weet hij nog steeds nauwelijks raad met zijn gevoelens.

De Jap schopt zijn moeder met spijkerlaarzen in haar kruis. Deze moeder is kapot, denkt hij, ik wil een andere. Dan laten ze de vrouwen ook nog eens als kikkers springen zodat bij sommigen bloed en ingewanden uit hun kapot geschopte kruis vloeien. Hij kijkt ernaar. Tussen drie en acht is hij in die periode. En hij kijkt onbewogen naar de onmenselijke wreedheden van de Japanners. Wat later, als zijn oma te zwak is om lopend op het appèl te verschijnen, vervoeren zijn moeder en de twee kinderen haar op een strijkplank met twee rolschaatsen eronder. Na de dood van oma krijgen zijn zusje en hij allebei één van die rolschaatsen. Om mee te steppen. Zijn zusje valt al steppend in het open riool, loopt dysenterie op en sterft. Dat doet hem natuurlijk wel wat, maar toch een stuk minder dan het feit dat zíj wel en die rolschaats niet wordt opgevist. Dit niet voelen, of verkeerd voelen, zal hem zijn hele leven blijven achtervolgen.

Voel ik wel genoeg?
Tijdens de voorstelling raakt het schokkende en schrijnende verhaal me naar m’n zin veel te weinig. Ik vind dat ook ík meer zou moeten voelen. Komt dat omdat ik de autobiografische roman van Jeroen Brouwers, waarop de voorstelling is gebaseerd, al eens heb gelezen? En dus al een keer geraakt ben? Lukt het me gewoon niet voor een tweede keer?

‘Moet je niet met je vriendjes praten?’, vraagt Hanny plagerig als ik wat somber en zwijgend naast haar kom zitten. Nee, ik wil Kester’s wijze lessen vanavond even niet. En Marian en Pieter kan ik nu helemaal niet verdragen met hun kritiekloze bewondering voor de voorstelling.
Hanny kijkt me een beetje spottend aan.
‘Anders zie je me niet eens staan en nu wil zeker mijn mening weten?’
Nauwelijks zichtbaar knik ik.

‘De toon is anders dan het boek’, zegt ze desondanks vriendelijk, ‘minder bitter, minder meedogenloos. De tussen de regels verscholen gevoeligheden worden in de voorstelling naar voren gehaald. Daardoor wordt het allemaal iets verzacht. Ik zal je een voorbeeld geven. Op het moment dat zijn liefde voor zijn moeder voorgoed omslaat in haat, als hij zich afvraagt waarom ze haar in het kamp niet hebben doodgeslagen. Dat klinkt uit de mond van Roofthooft nogal terloops. Toch?’
Wat zou ik anders moeten doen. Ik knik.
‘In het boek legt een witregel juist een het accent op die gedachte. Dat is keihard. Het boek is dus niet alleen een eerbetoon, maar ook een afrekening met de moeder. Maar de voorstelling haalt het eerbetoon meer naar voren, daardoor wordt de man milder. Het boek doet je af en toe echt huiveren om de wreedheden en de daaruit voortvloeiende gedachten. De voorstelling veel minder, door meer aandacht te schenken aan het kwetsbare wordt de voorstelling in zekere zin wat poëtischer.’

Afstandelijk
Indrukwekkend, denk ik. Bijzonder knap hoe ze zo vlak na de voorstelling al zo duidelijk onder woorden kan brengen wat bij mij alleen nog maar een vaag gevoel van onvrede is. ‘Weet je’, zegt ze, ‘er blijft te veel afstand in de voorstelling. Hoe mooi het verlorene van die man ook tot zijn recht komt. Je zou dichter op hem willen zitten. Dat lukt niet. En dat komt vooral door dat stemzendertje.’
Zendmicrofoon, denk ik, dat heet een zendmicrofoon, maar wat doet het ertoe.

Bezonken Rood van het Rotheater en het Toneelhuis ging in première op 16 oktober 2004
Tekst: Jeroen Brouwers
Regie: Guy Cassiers
Spel: Dirk Roofthooft

Mimi Cry van Opera Noir / Mariecke van der Linden ging in première op 11 juni 2005
Regie: Yvonne van den Hurk
Spel: Inga Schneider, Jack Vecht en Mariecke van der Linden
Muziek: Marc Tuinstra

Lees meer

RiRo op 24/06/2007 - 10:51  

Bezonken Rood (Ro Theater)
483_Halina 83 x 100.png

Juni 2005 Zo’n twee jaar voordat ik met mijn rugzak door Harlingen loop, zei Joyce het zo: ‘Alleen al Joke Tjalsma als Kniertje! Hoe ze die rol speelt! Precies zo onderdanig als nodig, maar toch met behoud van grandeur. En even oerkomisch als dieptriest. Echt, alleen Joke Tjalsma is al een trip naar Terschelling waard.’

Naar Terschelling, dat is me nogal wat, dacht ik toen. Toch heb ik die aanbeveling van Joyce al die tijd in mijn achterhoofd gehouden. Nu, in juni 2005, wordt Op Hoop Van Zegen wegens groot succes herhaald. Op Terschelling. Dus om een voorstelling over het vergaan van een schip te zien, neem ik alsnog de boot.

Niemand heeft een kaartje over
De voorstelling is uitverkocht. En ik heb geen kaartje. Anna Rottier, op dat moment een van de twee artistiek leiders van theatergezelschap Polly Maggoo, staat aan de andere kant van de afrastering om er op toe te zien dat de Oerolvrijwilligers de toegangsbewijzen zorgvuldig controleren. Met haar praat ik dan maar wat. Om de tijd te doden. In het volste vertrouwen dat ik straks de voorstelling toch wel zal zien.

In kleine groepjes, met z’n tweeën, af en toe alleen, komen fietsers aan over het grintpad. Bij het hek staan de controleurs, daar stappen ze af. Wat verderop is de boerenschuur waar de voorstelling over minder dan een half uur zal beginnen. Nog even en zo’n fietser heeft vast een kaartje over. Ik hoef alleen maar rustig af te wachten.

Niemand heeft een kaartje over! Over twee minuten begint de voorstelling. Ik heb geen keus. Er zit echt niks anders op. Ik vraag Anna Rottier dus of ze voor deze ene keer, alleen voor mij, over haar hart wil strijken. Dat doet ze. Letterlijk. Leuk hoor. Want ondertussen zegt ze, onbewogen en onverbiddelijk: ‘Probeer het morgen nog maar een keer.’ Dan draait ze zich om en laat ze me staan. Alleen. Achter dat gesloten hek.

Lekker met een boek in de zon
Dan ga ik dat stuk van Heijermans toch gewoon zelf lezen. Lekker in het zonnetje. Die Anna Rottier die kan me wat. Terwijl ik af en toe even wegdroom of over het wad uitkijk, kom ik al lezend tot de ontdekking dat niet alleen de vis duur betaald wordt. De tekst van Heijermans staat vol met dat soort zinnen. Met sententies, opmerkingen die je in een notendop inzicht geven in de levensbeschouwing van een personage. Kniertje verwoordt haar ideeënwereld behalve met de bekende woorden over de vis bijvoorbeeld ook met uitspraken als ‘een arm mens wordt wel bezocht’ en ‘tegen je bestaan mag je niet in opstand komme’.

Reder Bos is niet zo’n tobber, die vindt zichzelf een man van de wereld, een man die met beide benen op de grond staat. Daarom krijgt hij in zijn gesprekken met Kniertje wijsheden in de mond gelegd als ‘met huilen maak je de doden niet levend’ en ‘bij tijden mot je ‘n duvel zijn’. Maar zijn mooiste bewaart hij voor Kniertje’s oudste zoon. De arme jongen heeft een half jaar achter slot en grendel gezeten omdat hij iemand een mep had verkocht toen die zijn liefje beledigde. Geert is nog maar nauwelijks thuis als Bos hem deze prachtige tekst voor de voeten werpt: ‘Het gezag zou voor de haaien zijn als ‘n matroos maar opstoppers had uit te delen als ‘m iets niet beviel’.

Dan maar ‘n duvel, je mot wel
De volgende dag lukt het me met list en bedrog, bij tijden mot je wel, om de boerenschuur binnen te komen. Daar zie ik dat ze van Op Hoop van Zegen muziektheater hebben gemaakt. Met een accordeonist, een contrabassist en een alleskunner. Want net zoals bijvoorbeeld Orkater met Beppe Costa, beschikt Polly Maggoo met Martin Franke over een muzikant die uit van alles en nog wat muziek kan toveren. In deze voorstelling zijn dat de pannen en de potten in de keuken van Kniertje.

De voorstelling begint met Kniertje’s verjaardag, oorspronkelijk het tweede bedrijf. De toeschouwers zijn de verjaardagsgasten. Kniertje tracteert op koekjes. Lekkere koekjes vind ik. Dat Joke Tjalsma overtuigt als Kniertje verrast me niet, dankzij Joyce. Wat me wel verrast is dat de oorspronkelijke tekst, een klein beetje ingekort, wat opgefrist met liedjes en muziek, nog steeds kan. Na meer dan honderd jaar. Vooral natuurlijk omdat Heijermans zelf al waakte voor al te simpele zwart-wit tegenstellingen. Maar Polly Maggoo doet dat gelukkig ook.

Geen morele oordelen
Reder Bos staat in het visserijdrama model voor het kapitaal in het algemeen. Vissersvrouw Kniertje en haar gezin symboliseren de andere kant, de arbeiders. De strijd tussen arbeid en kapitaal wordt het hevigst verbeeld in stevige woordenwisselingen tussen reder Bos en matroos Geert, de oudste zoon van Kniertje. Maar ook dan kiest Heijermans geen partij. Hij velt geen expliciete morele oordelen. Daarom leven we mee met Kniertje die haar zonen verliest doordat een slecht onderhouden schip toch uitvaart. Maar daardoor begrijpen we ook waarom reder Bos niet anders kan dan hij doet.

Polly Maggoo en regisseur Erik Whien zijn heel dicht bij de oorspronkelijke woorden en de oorspronkelijke dramatische structuur van Heijermans toneeltekst gebleven. Ik denk dat het vooral hierdoor zo’n goede voorstelling is geworden. Dat zou me vast niet zijn opgevallen als ik gisteren de tekst niet had zitten lezen, als Anna Rottier dus niet zo onvermurwbaar was geweest bij dat gesloten hek. Zo zie je maar weer, elk nadeel heb z’n voordeel, zoals een beroemde hedendaagse sententiedichter het zo mooi heeft gezegd.

Op Hoop Van Zegen van Polly Maggoo ging in première op 14 juni 2003
Tekst: Herman Heijermans
Bewerking en dramaturgie: Mathijs Verboom en Anna Rottier
Regie: Erik Whien
Spel: Flip Filtz (Helmert Woudenberg), Joke Tjalsma, Mathijs Verboom, Lard Adrian, Constance Kruis en Anouk Beugels
Muziek: Michael von Villiez, Martin Franke en Jan Petrie

Lees meer

RiRo op 16/06/2007 - 12:46  

Op hoop van zegen (Polly Magoo)
480_Halina 83 x 100.png

November 2005 ‘Waarom wind je je zo op? Het was toch een goede voorstelling?’
‘Hoe kom je daarbij! Je hebt het boek zeker niet gelezen?’
‘Kom me niet aanzetten met dat - het boek was beter - gelul. De voorstelling staat op zichzelf.’
‘Hou toch op!’

In Grunberg’s roman De Asielzoeker laat Socha, een mager en ziek Oost-Europees hoertje, aan haar klant Beck haar pijn zien. Hij ziet wel dat Socha’s pijn niets te maken heeft met het bloed op het papier waarmee ze haar geslacht heeft schoongeveegd. Beck staat volkomen in zijn recht als hij beweert dat ze hem keukenpapier laat zien met rode konijntjes erop. Dat het alleen maar op bloed lijkt.

Beck is niet dom, hij begrijpt heus wel waarom Socha hem vraagt waarom hij haar heeft kapot gescheurd. Dat ze dat doet omdat ze een veel diepere pijn wil begrijpen. Dat ze het daarom uitschreeuwt. Dat ze schreeuwt om alle pijn van alle Socha’s van deze wereld. Toch zegt Beck laconiek: ‘Laat me eruit, ik moet naar buiten, ik ben iets belangrijks vergeten.’ Een typische Beck-opmerking. Correct, beleefd, ironisch. Dan pakt Beck uit een gereedschapskist een schroevendraaier en steekt Socha een oog uit.

Voor mij kan het niet ver genoeg gaan, regisseurstoneel. Ik houd van toneel gemaakt door theatermakers die niet voor de hand liggende beslissingen durven te nemen. Johan Simons is zo’n regisseur. En juist omdat Simons zo eigenzinnig is, zit de scène hierboven niet in de voorstelling. Natuurlijk niet. Dat zou nergens op slaan. Want hij heeft ervoor gekozen om de liefde tussen de hoofdpersoon Beck en zijn vrouw Vogel centraal te laten staan. Niet Beck’s cynisme.

Zelfs niet een beetje cynisch?
In de roman De Asielzoeker heeft Beck zijn vrouw al vier jaar niet meer aangeraakt. In de voorstelling wordt dat gemis aan warmte ruimschoots goed gemaakt. De twee staan voortdurend aan elkaar te friemelen. ‘Moegestreden en tegelijkertijd onlosmakelijk met elkaar verbonden, een liefde voor het leven, dat wil ik graag op het podium zien.’ Zo zegt Johan Simons het zelf. Nou dat zien we dan ook. Voor alle duidelijkheid vat ik het even samen: We kijken naar een voorstelling gebaseerd op een roman van Arnon Grunberg, we zien een man die zich zelfs geen ironische oogopslag permiteert, die van zijn vrouw staat te houden, zenuwachtig aan van alles en nog wat staat te frunniken, geen raad weet met zijn handen, zachtaardig is en teder.

Is dit een liefde voor het leven?
Grunberg’s roman is doordrenkt van cynische humor, vooral in de dialogen, ook in de die tussen Beck en Vogel. Dat cynisme is de angel in een roman die vooral over illusieloosheid gaat. Het is natuurlijk onvermijdelijk dat er het een en ander sneuvelt uit het boek. Maar haalt Simons er niet té veel uit? Haalt hij er op deze manier niet alleen rigoreus de angel uit, maar ook nog eens het hoofdthema? Ze zijn alleen nog maar ontzettend met elkaar verbonden, die twee met hun liefde voor het leven.

Ze doen me denken aan van die echtparen die je tijdens het zappen wel eens tegenkomt. Die tv-echtparen zitten dan meestal op een pompeuze bank in een kleine woonkamer en vertellen aan de camera over hun persoonlijk leed of over schrijnend onrecht. De toneel-Beck en de toneelvogel praten precies zo. Ze staan naast elkaar op een pompeus luchtbed en praten tegen het publiek, wij zijn de camera. Voor alle zekerheid zit er zelfs een acteur als man met de pet tussen ons in. Als de twee op hun luchtbed aan ons over elkaar staan te vertellen, en dat doen ze voortdurend, praten ze over elkaar in de derde persoon en vullen ze elkaar ook nog eens steeds aan. Net zoals die tv-echtparen altijd doen. Ja, dit zijn heel duidelijk twee mensen die onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, een liefde voor het leven.

En kan dat dan zomaar?
‘Wat heeft Simons met Beck’s façade van ijselijke beleefdheid gedaan?’, vraagt Anneriek zich roodaanlopend af. ‘Weg is het, helemaal weg, verdwenen, foetsie. Hij heeft dat uit formaliteit gesneden pantser van de Beck uit het boek gewoon vervangen door een laag vet.’ Ze is boos, dat begrijp ik. Ze vindt Wim Opbrouck te dik. Het is waar, hij is nogal stevig. Ze is teleurgesteld. Ik ook. Ik heb prachtige voorstellingen van Johan Simons gezien, maar vanavond ben ik ook teleurgesteld. We wisten dat Simons zou ingrijpen. Maar hij heeft dat op een heel andere manier gedaan dan we hadden verwacht. Dat heeft ons verrast. Kan dat dan zomaar? Ja dat kan zomaar. Dat is nou juist waarom regisseurstoneel zo boeiend is. De ene grote kunstenaar laat zijn visie zien op het meesterwerk van een andere kunstenaar.

‘Wat doet die kunstenaar Simons dan met het meesterwerk van Grunberg?’, vraagt Anneriek op hoge toon. Ze is goed op dreef, ze ligt op ramkoers. ‘Wat doet hij met dat meesterwerk?’
‘Hij leest het als een liefdesroman?’, probeer ik.
‘Ja’, raast Anneriek, ‘en dus?’
‘Ik weet het niet, wat bedoel je?’
‘Simons accentueert Beck’s mogelijkheid tot verbondenheid met zijn medemensen. Dat kan toch niet! Zo’n hoopvol aspect is in de roman van Grunberg toch hooguit in de kiem aanwezig!’
‘Dat klopt Anneriek, daar heb je gelijk in.’
‘Dit is diep teleurstellend.’ Met een wild gebaar pakt ze haar jas. ‘Deze voorstelling is echt diep teleurstellend,’ zegt ze nog een keer, voordat ze met grote boze stappen de schouwburg verlaat.

De Asielzoeker van NT Gent ging in première op 21 oktober 2005 (Nederlandse première 14 november 2005)
Tekst: Arnon Grunberg
Tekstbewerking: Koen Tachelet
Regie: Johan Simons
Spel: Elsie de Brauw, Aus Greidanus Jr., Wim Opbrouck en Servé Hermans

Lees meer

RiRo op 09/06/2007 - 09:01  

De asielzoeker (NT Gent)
<< < 567 > >>
Syndicate content